Ans van Vught
Ze werkt alweer vijfenhalf jaar bij de SVB, de Sociale Verzekerings Bank. Maar, zo zegt bedrijfsarts Ans van Vught, het verhaal wat zij vooral als voorzitter van de Antilliaanse vereniging voor verzekerings- en bedrijfsgeneeskunde vertelt, is het verhaal van alle sociaal geneeskundigen op het eiland. Daarover mag geen misverstand bestaan.
Arbeidsongeschiktheid, ziekteverzuim, de effecten op de economie en wat er aan gedaan wordt en kan worden. Daarover gaat het in haar spreekkamer aan de Pater Euwenweg. De 4-jarige beroepsopleiding voor verzekerings- en bedrijfsartsen is in maart afgerond en het is nu tijd de handen uit de mouwen te steken en veranderingen door te voeren. Met in plaats van louter controles zoals op het ogenblik veel meer begeleiding. Oftewel meer naar de oorzaken van het verzuim kijken en de preventie ervan; het voorkomen van verzuim.
Om te beginnen de cijfertjes. Ans van Vught (53) zegt de totale omvang van het ziekteverzuim door arbeidsongeschiktheid niet te kennen. Zoals niemand op het eiland dat weet. Een gevolg van het feit dat centrale registratie ontbreekt en dat een waarschijnlijk groot deel van het verzuim dat een of twee dagen beslaat buiten de directe werkgever zelf helemaal niet bekend is. Pas na het eigen risico van de eerste drie dagen wordt de SVB of enige andere verzekering ingeschakeld. Voor het SVB ligt het verzuimcijfer rond 3 procent. Maar dat getal is geflatteerd. Het betreft niet alle werknemers en het kortverzuim is er al helemaal niet in verwerkt. “Het ligt zeker aanzienlijk hoger.”
Van Vught maakt vervolgens een schatting van de wel bekende omvang. Zo’n 120 tot 140 mensen zien zij en haar zes collega-artsen bij de SVB per dag, wat neerkomt om zo’n 600 in de week dus zo’n ruim 30.000 op jaarbasis. Mensen dus die op dat moment al twee of drie dagen ziek zijn. “En nogmaals,” benadrukt ze, “dat gaat alleen om de SVB en niet om de overige (bedrijfs) fondsen.” Pas wanneer – maar dat is echt nog toekomstmuziek – er met een elektronisch patiëntendossier gewerkt kan gaan worden en/of een webportaal, wordt de echte omvang pas duidelijk.
Maar toch, nu al is het een enorm aantal, die 30.000 mensen natuurlijk. Volgens Van Vught hoeven de SVB-artsen een groot deel daarvan eigenlijk niet te zien. Een griepje, hoofdpijn, veelal, duurt een aantal dagen, hooguit een week, en een sociale verzekeringsdeskundigde kan daar toch niet veel aan doen. ‘En dat terwijl er aan de andere kant een groep patiënten is die met meer begeleiding en/of meestal financiële prikkels richting werkgever sneller weer aan het werk kan worden geholpen. Met alle lagere uitkeringskosten van dien.
Ans van Vught, in 1988 afgestudeerd aan de VU in Amsterdam als basisarts en in 1994 gespecialiseerd als bedrijfsarts, had er al onder meer zestien jaar praktijk bij de Arbo Unie, een van de grootste arbodiensten in Nederland, opzitten voordat ze naar Curacao vertrok. Was ook opleider bedrijfsgeneeskunde aan de in Amsterdam gevestigde Netherlands School of Public & Occupational Health (NSPOH). Kreeg op de Antillen al snel te maken met de vraag van de hier (Curacao en Aruba) in de sociale sector werkende artsen om op meer professionele wijze hun werk te kunnen uitvoeren. Ze waren als basisarts niet gespecialiseerd.
Samen met Harrie Veneman, een lokale opleider verzekeringsgeneeskunde op Aruba, zette Ans van Vught de vier jaar durende theoretische en praktische beroepsopleiding op. Met ondersteuning ook van NSPOH, die een aantal opleiders uit Nederland invloog. En de hulp van twee Groningse hoogleraren, John Groothoff en Jac van der Klink die het ook verplichte wetenschappelijk onderzoek van de aan de opleiding deelnemende artsen begeleidden.
Twaalf artsen begonnen eraan; zeven kregen op 6 maart hun diploma (4 uit Curaçao, 3 uit Aruba) en vier hun certificaat (2 uit Curaçao en Aruba). Dat de laatste vier het met een certificaat in plaats van diploma moeten doen heeft te maken met het al dan niet BIG-geregistreerd zijn in Nederland, waarbij BIG voor Beroepen in de Gezondheidszorg staat. Alleen (in dit geval) basisartsen die geregistreerd zijn kunnen een specialisatie volgen en een diploma ontvangen.
Met een nu zo groot aantal gespecialiseerde sociale artsen is het volgens Ans van Vught en de zo’n tweeënhalf jaar geleden in het leven geroepen Antilliaanse vereniging voor verzekerings- en bedrijfsgeneeskunde hoogste tijd om te streven naar een verdere professionalisering van de sector. Tijd voor verandering vooral. “Want”, aldus Van Vught, “vroeger, en eigenlijk nu nog wel, controleerde je een zieke werknemer, vroeg en keek wat er aan de hand was en wanneer hij of zij weer kon beginnen.” Dat zal in de loop van de komende jaren moeten veranderen naar een model waarin je als verzekerings- en bedrijfsarts die werknemers begeleidt.
Het gaat daarbij om een wat ze noemt ‘gezamenlijke verantwoordelijkheid’ voor het verzuim. Zegt: “Zoals nu, wanneer je alleen maar controleert, is er maar een partij verantwoordelijk voor het verzuim. De verzekeraar. Alle anderen lopen daar een beetje achteraan.” Er moet in haar visie (en die van de sector dus) een situatie ontstaan waarbij werkgever, werknemer en de verzekeraar die verantwoordelijkheid samen gaan dragen. “Met in plaats van controle dus begeleiding, al zal de controle nooit los worden gelaten als iemand bewust, zwart verzuimt.”
De wijziging, het heeft allemaal te maken met het bekende feit dat er ook vaak andere oorzaken dan een ziekte aan een ziekmelding ten grondslag liggen. Een conflict met een leidinggevende bijvoorbeeld. Van Vught: “Dat meldt een werknemer niet. Hij of zij zegt rug- of andere klachten te hebben. Maar dat is dan niet de oorzaak; wellicht wel het gevolg. Maar aan de oorzaak moet wat worden gedaan.” Ze is ervan overtuigd dat het merendeel van de werknemers die zich arbeidsongeschikt melden met hun klacht wel kunnen werken. Ze noemt het grijs verzuim; zo’n 75 procent. “Het gaat dan om klachten waarmee in principe kan worden gewerkt. Met rugklachten administratief werk bijvoorbeeld en bij hoofdpijn kan een pijnstiller heel veel doen.”
Al gedurende de opleiding hier werd het, aldus Van Vught, duidelijk dat de artsen steeds meer naar de oorzaken van het verzuim en de mogelijke preventie ervan keken. “Nu wordt bij een consult precies nagegaan wat het probleem is. Waarom nu die ziekmelding er is, waarom nu naar een arts is gestapt. Er is meer aandacht voor de problemen, een gesprek wordt aangegaan.” Zaak is dat nu ook het probleem bespreekbaar kan worden gemaakt met werknemer en werkgever. Met de idee op de achtergrond dat frequent ziekteverzuim en voortdurende ziekmeldingen kunnen worden voorkomen. Een positieve zaak voor alle partijen. De werknemer voelt zich beter, is van zijn klachten af, de werkgever heeft z’n mensen terug en de verzekeraar hoeft minder uit te keren. Winst voor iedereen dus.”
Die omslag zal de komende periode moeten worden gemaakt. “Maar het zal,” zo realistisch is Van Vught zeker, “lastig zijn van controle- naar begeleidingsmodel te gaan. De artsen zijn nu opgeleid en willen. Maar ook werkgever en werknemers moeten mee. Afstappen van procedures die al zo’n veertig jaar gelden. Moeten hun verantwoordelijkheid nemen. Zich afvragen hoe het komt dat iemand zich in een jaar tien keer ziek meldt. Waarom? En ziekte of wat anders als oorzaak? En de verzekeraar zal veel meer contact met de werkgever moeten opnemen. Vragen wat daar aan het probleem is gedaan. Voor een aantal zal dat nieuw zijn.”
Ans van Vught en haar Antilliaanse vereniging voor verzekerings- en bedrijfsgeneeskunde hebben het – ‘natuurlijk’, klinkt het – niet allemaal zelf verzonnen. Er is over de grenzen gekeken naar landen waar het verzuim aantoonbaar is gedaald. Naar Europa en Nederland ook, waar Van Vught dus jarenlang heeft gewerkt en waar in de jaren negentig de Poortwachter-wetgeving is ingevoerd. Het eigen risico voor werkgevers ging daardoor uiteindelijk naar twee jaar. “Een enorme financiële prikkel voor werkgevers om zich ook in te spannen werknemers weer sneller aan het werk te krijgen,” aldus Van Vught.
Als het aan Van Vught ligt gaat het eigen risico voor de werkgever hier in eerste instantie van drie naar tien dagen. Daarvoor is een wetswijziging noodzakelijk. Evenals is dat het geval voor de introductie van zaken als passend werk en reïntegratie. “Die staan nog niet in de Landsverordening ziekteverzekering.” Ze kunnen er toe bijdragen de arbeidsongeschiktheid fors terug te brengen. “Het is nu alles of niets. Of je kan werken of niet. Maar er is een groot, grijs tussengebied. Reïntegratie, terugkeer op het werk, in een functie die een werknemer op dat ogenblik aan kan. Voor een bepaalde periode, gedurende het herstel. In te vullen door werkgever en werknemer samen. Iemand met een enkelkwetsuur kan wel zittend werk doen. Hij moet dan arbeidsgechikt worden verklaard met een beperking voor lopen. Nu kan dat formeel gewoon nog niet.”
Er is daarnaast nog een tweede kant aan het arbeidsongeschiktheid-verhaal. De preventie. Tenminste even belangrijk volgens Van Vught. En ook hier geldt: er is onvoldoende wetgeving. De bestaande Veiligheidsverordening van het land stamt uit 1958; meer dan een halve eeuw oud dus. En sindsdien is er heel wat gebeurd. “Gedateerd,” zegt Ans van Vught dan ook. “De sociaal geneeskundigen zouden dan ook graag een nieuwe, moderne Arbo-wetgeving zien die gericht is op zaken als veiligheid, gezondheid en welzijn. Als we hier Arbo-wetging krijgen, meer dan de bestaande regelgeving voor veiligheid, kunnen we als artsen ook werkgevers aanspreken op hun arbeidsomstandigheden. We zien nu mensen te zwaar tillen, meer dan 23 kilogram, de internationale norm voor tilbelasting. Met als gevolg rugklachten. En we kunnen als er 50 kilo moet worden getild niet zeggen: dat mag niet. Zet hulpmateriaal of meer mensen in. Ook de arbeidsinspectie inzetten kan niet.”
De circa vijftien op de eilanden actieve sociale verzekeringsartsen zijn het onderling eens dat het wel moet gaan kunnen. Zoals ze het er onderling ook over eens zijn dat ze onderling nog duidelijker afspraken moeten maken hoe ze met bijvoorbeeld de belastbaarheid van het lichaam omgaan. Dat zij richting zieken, werknemers, met een uniform stelsel van adviezen een aanbevelingen komen. Een commissie van de vereniging is bezig met richtlijnen op te stellen; zoals in Nederland die richtlijnen ook al geleden. “Niet dat we ze een of een overnemen. Ze moeten worden omgebouwd, aangepast aan de lokale situatie. Maar wel het systeem. En de mogelijkheid dus van toetsing achteraf of er juist is gehandeld.”
Een afspraak dus dat iedereen – niet alleen de sociale geneeskundigen, maar ook huisartsen en specialisten - cliënten, patiënten op eenzelfde wijze benadert. “Wat te doen bijvoorbeeld met rugklachten? In Nederland moet daarvoor na een bepaalde periode naar een rugschool worden verwezen. Wordt na zoveel weken die interventie verplicht. Hier dus niet. En een rugschool kennen we ook niet.” Er is, zegt Van Vught, draagvlak voor op de eilanden. De curatieve sector werkt er in ieder geval aan. “We zitten allemaal rond het bed van die patiënt en moeten proberen hem hetzelfde advies te geven. Waarbij ook huisarts en specialist rekening moeten houden met de factor arbeid.”
Ze werkt alweer vijfenhalf jaar bij de SVB, de Sociale Verzekerings Bank. Maar, zo zegt bedrijfsarts Ans van Vught, het verhaal wat zij vooral als voorzitter van de Antilliaanse vereniging voor verzekerings- en bedrijfsgeneeskunde vertelt, is het verhaal van alle sociaal geneeskundigen op het eiland. Daarover mag geen misverstand bestaan.
Arbeidsongeschiktheid, ziekteverzuim, de effecten op de economie en wat er aan gedaan wordt en kan worden. Daarover gaat het in haar spreekkamer aan de Pater Euwenweg. De 4-jarige beroepsopleiding voor verzekerings- en bedrijfsartsen is in maart afgerond en het is nu tijd de handen uit de mouwen te steken en veranderingen door te voeren. Met in plaats van louter controles zoals op het ogenblik veel meer begeleiding. Oftewel meer naar de oorzaken van het verzuim kijken en de preventie ervan; het voorkomen van verzuim.
Om te beginnen de cijfertjes. Ans van Vught (53) zegt de totale omvang van het ziekteverzuim door arbeidsongeschiktheid niet te kennen. Zoals niemand op het eiland dat weet. Een gevolg van het feit dat centrale registratie ontbreekt en dat een waarschijnlijk groot deel van het verzuim dat een of twee dagen beslaat buiten de directe werkgever zelf helemaal niet bekend is. Pas na het eigen risico van de eerste drie dagen wordt de SVB of enige andere verzekering ingeschakeld. Voor het SVB ligt het verzuimcijfer rond 3 procent. Maar dat getal is geflatteerd. Het betreft niet alle werknemers en het kortverzuim is er al helemaal niet in verwerkt. “Het ligt zeker aanzienlijk hoger.”
Van Vught maakt vervolgens een schatting van de wel bekende omvang. Zo’n 120 tot 140 mensen zien zij en haar zes collega-artsen bij de SVB per dag, wat neerkomt om zo’n 600 in de week dus zo’n ruim 30.000 op jaarbasis. Mensen dus die op dat moment al twee of drie dagen ziek zijn. “En nogmaals,” benadrukt ze, “dat gaat alleen om de SVB en niet om de overige (bedrijfs) fondsen.” Pas wanneer – maar dat is echt nog toekomstmuziek – er met een elektronisch patiëntendossier gewerkt kan gaan worden en/of een webportaal, wordt de echte omvang pas duidelijk.
Maar toch, nu al is het een enorm aantal, die 30.000 mensen natuurlijk. Volgens Van Vught hoeven de SVB-artsen een groot deel daarvan eigenlijk niet te zien. Een griepje, hoofdpijn, veelal, duurt een aantal dagen, hooguit een week, en een sociale verzekeringsdeskundigde kan daar toch niet veel aan doen. ‘En dat terwijl er aan de andere kant een groep patiënten is die met meer begeleiding en/of meestal financiële prikkels richting werkgever sneller weer aan het werk kan worden geholpen. Met alle lagere uitkeringskosten van dien.
Ans van Vught, in 1988 afgestudeerd aan de VU in Amsterdam als basisarts en in 1994 gespecialiseerd als bedrijfsarts, had er al onder meer zestien jaar praktijk bij de Arbo Unie, een van de grootste arbodiensten in Nederland, opzitten voordat ze naar Curacao vertrok. Was ook opleider bedrijfsgeneeskunde aan de in Amsterdam gevestigde Netherlands School of Public & Occupational Health (NSPOH). Kreeg op de Antillen al snel te maken met de vraag van de hier (Curacao en Aruba) in de sociale sector werkende artsen om op meer professionele wijze hun werk te kunnen uitvoeren. Ze waren als basisarts niet gespecialiseerd.
Samen met Harrie Veneman, een lokale opleider verzekeringsgeneeskunde op Aruba, zette Ans van Vught de vier jaar durende theoretische en praktische beroepsopleiding op. Met ondersteuning ook van NSPOH, die een aantal opleiders uit Nederland invloog. En de hulp van twee Groningse hoogleraren, John Groothoff en Jac van der Klink die het ook verplichte wetenschappelijk onderzoek van de aan de opleiding deelnemende artsen begeleidden.
Twaalf artsen begonnen eraan; zeven kregen op 6 maart hun diploma (4 uit Curaçao, 3 uit Aruba) en vier hun certificaat (2 uit Curaçao en Aruba). Dat de laatste vier het met een certificaat in plaats van diploma moeten doen heeft te maken met het al dan niet BIG-geregistreerd zijn in Nederland, waarbij BIG voor Beroepen in de Gezondheidszorg staat. Alleen (in dit geval) basisartsen die geregistreerd zijn kunnen een specialisatie volgen en een diploma ontvangen.
Met een nu zo groot aantal gespecialiseerde sociale artsen is het volgens Ans van Vught en de zo’n tweeënhalf jaar geleden in het leven geroepen Antilliaanse vereniging voor verzekerings- en bedrijfsgeneeskunde hoogste tijd om te streven naar een verdere professionalisering van de sector. Tijd voor verandering vooral. “Want”, aldus Van Vught, “vroeger, en eigenlijk nu nog wel, controleerde je een zieke werknemer, vroeg en keek wat er aan de hand was en wanneer hij of zij weer kon beginnen.” Dat zal in de loop van de komende jaren moeten veranderen naar een model waarin je als verzekerings- en bedrijfsarts die werknemers begeleidt.
Het gaat daarbij om een wat ze noemt ‘gezamenlijke verantwoordelijkheid’ voor het verzuim. Zegt: “Zoals nu, wanneer je alleen maar controleert, is er maar een partij verantwoordelijk voor het verzuim. De verzekeraar. Alle anderen lopen daar een beetje achteraan.” Er moet in haar visie (en die van de sector dus) een situatie ontstaan waarbij werkgever, werknemer en de verzekeraar die verantwoordelijkheid samen gaan dragen. “Met in plaats van controle dus begeleiding, al zal de controle nooit los worden gelaten als iemand bewust, zwart verzuimt.”
De wijziging, het heeft allemaal te maken met het bekende feit dat er ook vaak andere oorzaken dan een ziekte aan een ziekmelding ten grondslag liggen. Een conflict met een leidinggevende bijvoorbeeld. Van Vught: “Dat meldt een werknemer niet. Hij of zij zegt rug- of andere klachten te hebben. Maar dat is dan niet de oorzaak; wellicht wel het gevolg. Maar aan de oorzaak moet wat worden gedaan.” Ze is ervan overtuigd dat het merendeel van de werknemers die zich arbeidsongeschikt melden met hun klacht wel kunnen werken. Ze noemt het grijs verzuim; zo’n 75 procent. “Het gaat dan om klachten waarmee in principe kan worden gewerkt. Met rugklachten administratief werk bijvoorbeeld en bij hoofdpijn kan een pijnstiller heel veel doen.”
Al gedurende de opleiding hier werd het, aldus Van Vught, duidelijk dat de artsen steeds meer naar de oorzaken van het verzuim en de mogelijke preventie ervan keken. “Nu wordt bij een consult precies nagegaan wat het probleem is. Waarom nu die ziekmelding er is, waarom nu naar een arts is gestapt. Er is meer aandacht voor de problemen, een gesprek wordt aangegaan.” Zaak is dat nu ook het probleem bespreekbaar kan worden gemaakt met werknemer en werkgever. Met de idee op de achtergrond dat frequent ziekteverzuim en voortdurende ziekmeldingen kunnen worden voorkomen. Een positieve zaak voor alle partijen. De werknemer voelt zich beter, is van zijn klachten af, de werkgever heeft z’n mensen terug en de verzekeraar hoeft minder uit te keren. Winst voor iedereen dus.”
Die omslag zal de komende periode moeten worden gemaakt. “Maar het zal,” zo realistisch is Van Vught zeker, “lastig zijn van controle- naar begeleidingsmodel te gaan. De artsen zijn nu opgeleid en willen. Maar ook werkgever en werknemers moeten mee. Afstappen van procedures die al zo’n veertig jaar gelden. Moeten hun verantwoordelijkheid nemen. Zich afvragen hoe het komt dat iemand zich in een jaar tien keer ziek meldt. Waarom? En ziekte of wat anders als oorzaak? En de verzekeraar zal veel meer contact met de werkgever moeten opnemen. Vragen wat daar aan het probleem is gedaan. Voor een aantal zal dat nieuw zijn.”
Ans van Vught en haar Antilliaanse vereniging voor verzekerings- en bedrijfsgeneeskunde hebben het – ‘natuurlijk’, klinkt het – niet allemaal zelf verzonnen. Er is over de grenzen gekeken naar landen waar het verzuim aantoonbaar is gedaald. Naar Europa en Nederland ook, waar Van Vught dus jarenlang heeft gewerkt en waar in de jaren negentig de Poortwachter-wetgeving is ingevoerd. Het eigen risico voor werkgevers ging daardoor uiteindelijk naar twee jaar. “Een enorme financiële prikkel voor werkgevers om zich ook in te spannen werknemers weer sneller aan het werk te krijgen,” aldus Van Vught.
Als het aan Van Vught ligt gaat het eigen risico voor de werkgever hier in eerste instantie van drie naar tien dagen. Daarvoor is een wetswijziging noodzakelijk. Evenals is dat het geval voor de introductie van zaken als passend werk en reïntegratie. “Die staan nog niet in de Landsverordening ziekteverzekering.” Ze kunnen er toe bijdragen de arbeidsongeschiktheid fors terug te brengen. “Het is nu alles of niets. Of je kan werken of niet. Maar er is een groot, grijs tussengebied. Reïntegratie, terugkeer op het werk, in een functie die een werknemer op dat ogenblik aan kan. Voor een bepaalde periode, gedurende het herstel. In te vullen door werkgever en werknemer samen. Iemand met een enkelkwetsuur kan wel zittend werk doen. Hij moet dan arbeidsgechikt worden verklaard met een beperking voor lopen. Nu kan dat formeel gewoon nog niet.”
Er is daarnaast nog een tweede kant aan het arbeidsongeschiktheid-verhaal. De preventie. Tenminste even belangrijk volgens Van Vught. En ook hier geldt: er is onvoldoende wetgeving. De bestaande Veiligheidsverordening van het land stamt uit 1958; meer dan een halve eeuw oud dus. En sindsdien is er heel wat gebeurd. “Gedateerd,” zegt Ans van Vught dan ook. “De sociaal geneeskundigen zouden dan ook graag een nieuwe, moderne Arbo-wetgeving zien die gericht is op zaken als veiligheid, gezondheid en welzijn. Als we hier Arbo-wetging krijgen, meer dan de bestaande regelgeving voor veiligheid, kunnen we als artsen ook werkgevers aanspreken op hun arbeidsomstandigheden. We zien nu mensen te zwaar tillen, meer dan 23 kilogram, de internationale norm voor tilbelasting. Met als gevolg rugklachten. En we kunnen als er 50 kilo moet worden getild niet zeggen: dat mag niet. Zet hulpmateriaal of meer mensen in. Ook de arbeidsinspectie inzetten kan niet.”
De circa vijftien op de eilanden actieve sociale verzekeringsartsen zijn het onderling eens dat het wel moet gaan kunnen. Zoals ze het er onderling ook over eens zijn dat ze onderling nog duidelijker afspraken moeten maken hoe ze met bijvoorbeeld de belastbaarheid van het lichaam omgaan. Dat zij richting zieken, werknemers, met een uniform stelsel van adviezen een aanbevelingen komen. Een commissie van de vereniging is bezig met richtlijnen op te stellen; zoals in Nederland die richtlijnen ook al geleden. “Niet dat we ze een of een overnemen. Ze moeten worden omgebouwd, aangepast aan de lokale situatie. Maar wel het systeem. En de mogelijkheid dus van toetsing achteraf of er juist is gehandeld.”
Een afspraak dus dat iedereen – niet alleen de sociale geneeskundigen, maar ook huisartsen en specialisten - cliënten, patiënten op eenzelfde wijze benadert. “Wat te doen bijvoorbeeld met rugklachten? In Nederland moet daarvoor na een bepaalde periode naar een rugschool worden verwezen. Wordt na zoveel weken die interventie verplicht. Hier dus niet. En een rugschool kennen we ook niet.” Er is, zegt Van Vught, draagvlak voor op de eilanden. De curatieve sector werkt er in ieder geval aan. “We zitten allemaal rond het bed van die patiënt en moeten proberen hem hetzelfde advies te geven. Waarbij ook huisarts en specialist rekening moeten houden met de factor arbeid.”